Rond 1650 kwamen de eerste Europeanen naar Suriname.
In deze beginperiode werden de oorspronkelijke bewoners op de plantages ingezet maar deze indianen
bleken minder geschikt voor het plantagewerk en waren erg vatbaar voor de geïmporteerde Europese ziektes.
Na een moeilijke periode bloeide de landbouw in de eerste helft van de 18e eeuw weer op.
Hierbij werden slaven gehaald uit Afrika. Deze waren veel beter geschikt
voor het zware werk op onder andere de suikerplantages.
Na de vrijverklaring van de slaven in Suriname op 1 juli 1863 en de crisisverschijnselen in de
plantage-economie ontstond er een belangrijke maatschappelijke verandering. Een deel van de blanke pachters
verkocht zijn bezit en keerde terug naar Europa. Hierdoor kon zich een meer pluriforme maatschappij ontwikkelen
met een nieuwe klasse van vrije burgers.
Dit ging echter gepaard met grote spanningen. Deze waren direct verbonden aan de koloniale omstandigheden.
Alhoewel de scherpe tweedeling van de slavenmaatschappij verdwenen was, bleven de tegenstellingen aanwezig.
Raciale en sociale scheidslijnen vielen vrijwel samen wat tot uitbarstingen kon leiden. Het Nederlandse beleid
was gericht op de gelijkschakeling van alle bevolkingsgroepen.
Na de eeuwwisseling werd Suriname in Den Haag voornamelijk als armlastige kolonie beschouwd met weinig
economisch perspectief. Echter door de aanwezigheid van bauxiet en het telen en exporteren van rijst werden
toch grote winsten geboekt.
In 1974 kondigde de regering van Suriname aan dat de overdracht van soevereiniteit voor het eind van 1975
zou moeten plaatsvinden. Bij veel Hindostanen sloeg de vrees voor Creoolse overheersing toe.
Zowel in Suriname als in Nederland waren sterke stromingen aanwezig, die de onafhankelijkheid hadden bepleit.
|