Vrede Van Breda

Het was de Engelsman Sir Willoughby die in 1651 namens de Engelsen het gebied tussen de rivieren de Marowijne en Coppename op de Hollanders veroverde en koloniseerde. Hij noemde het Willoughby land en hernoemde het fort naar Fort Willoughby.
Maar niet alleen de Engelsen koloniseerden Suriname, ook Franse Hugenoten en Duitsers gingen naar Suriname. Meer bijzonder was de grote groep Portugese en Spaanse Joodse planters die er zich vestigde, wat heel bijzonders in die tijd. Velen waren op de vlucht voor de inquisitie al eerder naar de Nieuwe Wereld getrokken. De Joodse planters hadden grote kennis van de suikerrietcultuur. Hun nakomelingen spelen nog altijd een vooraanstaande rol in de Surinaamse samenleving.

 


Joden Savanne, schilderij van Pierre Jaques Benoit (1839).

 

In 1667 voeren de Zeeuwen onder leiding van Abraham Crijnssen, in dienst van de Staten van Zeeland met zeven schepen de Surinamerivier op om de Engelsen, waarmee de Nederlanden toen in oorlog waren, de kolonie weer afhandig te maken. Beladen met waardevolle buit keerde Crijnssen terug in Zeeland.
Op 6 maart van dat jaar werd, zonder dat er een schot was gelost, overeenstemming bereikt over de overdracht van Suriname. Fort Zeelandia heeft zijn naam te danken aan Crijnssen, die het verdedigingswerk vernoemde naar zijn schip. Parmirbo werd omgedoopt tot Nieuw Middelburg.
Deze naam sloeg echter nooit aan. Mensen van buiten Paramaribo noemden het plaatsje zelfs simpelweg foto (fort). Fort Zeelandia, gelegen aan de rivier de Suriname, werd uitgebreid met vijf bastions.

 


Fort Zeelandia, eveneens naar een schilderij van Pierre Jaques Benoit.

 

Bij de Vrede van Breda (1667) mochten Engelsen en de Zeeuwen behouden wat veroverd was. Zo kwam Nieuw-Nederland, het huidige Manhattan in Britse handen en de Zeeuwen kregen Suriname.
Zeeuwse avonturiers en planters namen de macht over. De Nederlandse kolonie aan de Zuid-Amerikaanse noordkust was een feit.

Veel Engelsen trokken weg uit Suriname en vestigden zich, met medeneming van hun slaven, in Barbados. Tot overmaat van ramp brak ook ruzie uit binnen de WIC over het bestuur van Suriname. De Zeeuwen wilden de kolonie voor zichzelf behouden. Van dat idee was Amsterdam echter niet zo gecharmeerd. Crijnssen bleef gouverneur, de Hollanders waren welkom en dat alles onder het oppergezag van de Staten-Generaal die zich niet te veel wilde mengen in die ruzie. De VOC was nu eenmaal veel lucratiever.
Na het vertrek van de Engelsen braken diverse "opstanden" uit onder de Indianen. De opvolger van Crijnssen, Heinsius, arriveerde in 1678 in een chaotisch Suriname. Als snel kwam er het verbod dat niemand de kolonie meer mocht verlaten en pas na een jaar onderhandelen lukte het om de Staten-Generaal zo ver te krijgen dat er honderd extra soldaten werden aangevoerd. Door rondom Paramaribo een houten wal te bouwen lukte het de Indianen op afstand te houden.