Slavernij

Formeel waren de Staten van Zeeland nog steeds eigenaar van Suriname maar dat bleek voor de Zeeuwen geen al te gelukkig bezit. Het visioen van een nieuw Braziel, na de teloorgang van de Hollandse kolonie in Noordoost-Brazilië, was snel vervlogen. Bijna waren de blanke kolonisten door de indiaanse guerrilla zelfs geheel ten onder gegaan.
De Zeeuwen wilden dan ook van Suriname af. In 1683 kwam de kolonie voor 260.000 gulden in bezit van de West-Indische Compagnie, de stad Amsterdam en de edelman Van Aerssen van Sommelsdijck. Zij richtten hiertoe de Geoctrooieerde Sociëteit op om Suriname gezamenlijk te gaan exploiteren.
De beschikbaarheid van goedkope arbeidskrachten via de aanvoer van negerslaven uit Afrika vormde een belangrijke factor bij het succes van de plantage economie, hoewel ook het kundig ondernemerschap van veel van de planters van groot belang was. Daarnaast was de plantage-economie sterk afhankelijk van de prijsvorming op de wereldmarkt van tropische producten. Die was lange tijd gunstig: koffie, tabak, cacao, maar vooral suiker, waren gemakkelijk verhandelbare landbouwproducten.
Van de 500.000 slaven die de Nederlanders in totaal uit Afrika hebben gehaald was voor de meeste de eindbestemming Suriname. Slaven die over het algemeen niet door de Europeanen zelf werden gevangen maar door Afrikanen, die hen doorverkochten aan de handelaren. Op het hoogtepunt in 1775 waren er 600 plantages in Suriname die voornamelijk suiker verbouwden.

 


De meeste Surinaamse slaven waren afkomstig uit Afrika.

 

De Nederlandse plantage eigenaren hadden in de regio geen al te beste reputatie. Martelingen en de slechte leefomstandigheden maakten het voor slaven een schrikbeeld om in Suriname twerk gesteld te worden. Het is dan ook geen wonder dat velen probeerden te ontsnappen. De strijd tussen de weggelopen slaven en de Nederlanders heeft een belangrijk stempel gedrukt op de aanwezigheid van de Nederlanders in Suriname. Er wonen in het binnenland van Suriname nog steeds nakomelingen van de weggelopen slaven, de Marrons.

Ondanks de regels die het gouvernement opstelde over een menswaardige behandeling van slaven, kwamen duizenden van hen om door het tirannieke gedrag van hun 'meesters'. Slavenopstanden waren dan ook eerder regel dan uitzondering. Bekend zijn de Bono-oorlogen van Marrons, genoemd naar hun aanvoerder Bono. De successen van de Marrons miste hun uitwerking niet op de aanwezige slaven waardoor paniek uitbrak onder de plantage-eigenaren. Slaven werden door het bestuur vrijgekocht en omgeschoold tot soldaat. Leden van het zogenaamde 'Neeger Vrijcorps' dat met groot succes werd ingezet tegen de Marrons, kregen dan ook snel de naam van verraders.

 


De persoon van Boni kreeg een welhaast mythische glans. Tot de verbeelding spreekt het beleg van Buku, de Memre Boekoe kazerne in Paramaribo ontleent er zijn naam aan. De belegeraars konden de marrons in Buku duidelijk zien en zelfs horen, maar in eerste instantie niet toeslaan, omdat het door palissaden versterkte dorp geheel door gevaarlijke moerassen was omgeven. Het pad dat er naar toe leidde, lag onder water. Boni werd uiteindelijk gedood door Aukaner bosnegers, die door het koloniale bestuur in Paramaribo tegen de Boni's waren opgezet.

 

De Boni-oorlogen deed de economische ontwikkeling van Suriname niet goed. Uiteindelijk kwamen 500 huurtroepen uit Europa over die, naar Europees gebruik, met slaande trom de oerwouden introkken en zo een gemakkelijke prooi waren voor de Marrons. Desondanks slaagden de huurtroepen onder leiding van officier Stoelman er in een strategisch belangrijke eiland te bezetten en gaf daarmee het eiland zijn naam: Stoelmanseiland.
Uiteindelijk werden de Marrons verdreven naar de buurlanden van Suriname.