Onafhankelijkheid

Het zijn met name de rijkere Surinamers van Chinese en Javaanse afkomst die reeds in de tweede wereldoorlog ijveren voor zelfstandigheid van Suriname. Hun Nationale Partij Suriname geniet ook onder de Creoolse bevolking veel aanhang. Kernpunt van hun programma vormt het eigen beheer van de natuurlijke rijkdommen van het land.
Na de oprichting van de NPS richten de Javanen de Indonesische Boerenpartij op en de Hindoestanen de Verenigde Hindoe Partij (VHP). De roep om zelfstandigheid wordt in 1949 nog sterker als in Oost-Indië de Republiek Indonesië wordt uitgeroepen. In 1954 krijgt Suriname (en ook de Nederlandse Antillen) een grote mate van zelfstandigheid.
De regering mag nu vrijwel alle zaken in Suriname zelf regelen. Uitzondering vormt Defensie en Buitenlandse Zaken waar de regering in Den Haag over blijft beslissen.
De rijke elite en de NPS zijn echter niet tevreden met deze regeling en pleiten voor een volledige onafhankelijkheid van Suriname. De VHP sluit zich daarbij aan.
Uiteindelijk gaat de Nederlandse regering onder leiding van premier Den Uyl akkoord met de onafhankelijkheid van Suriname.

 


Oud-gouverneur Johan Ferrier werd in 1973 compleet overvallen door de regeringsverklaring van het kabinet-Den Uyl. Hierin stond dat Suriname zo snel mogelijk onafhankelijk moest worden. Ferrier was er evenmin van op de hoogte dat de onafhankelijkheid binnen twee jaar beklonken moest worden.

 

Op 25 november 1975 wordt de republiek Suriname uitgeroepen. De eerste president van het land wordt Ferrier en de eerste premier wordt Arron, de leider van de NPS.