Eerste kolonisatie

Het was de Spaanse ontdekkingsreiziger Alonso de Ojeda die als eerste Suriname met westerse ogen aanschouwde. In mei 1499 zeilde hij echter verder in noordwestelijke richting, langs de mondingen der Surinaamse rivieren, zonder deze te exploreren. Ofschoon hij als de ontdekker van Suriname aangemerkt word heeft hij er nooit voet aan land gezet of is hij in contact getreden met de oorspronkelijke bevolking.

 


Alonso de Ojeda viel op door zijn moed en vechtlust maar vooral ook door zijn ongewone wreedheid en hardheid in de gevechten met de inheemse indianen.

 

Toen in de zestiende eeuw in Europa het gerucht de ronde deed dat de regenwouden aan de Wilde Kust, zoals het gebied door zeelieden werd aangeduid, rijk aan goud zou zijn kwam Suriname voor het eerst in de belangstelling van Spanjaarden en Portugezen te staan.
Maar zij waren niet de enigen, ook Engeland was geïnteresseerd in de rijkdommen van Suriname en stuurde Sir Walter Raleigh naar het Surinaamse achterland. In 1595 zeilde hij naar Guyana, nam de Spaanse ontdekkingsreiziger Berrio gevangen en ondervroeg hem over de toegangsweg naar El Dorado, het legendarische goudland waar een koning woonde die elk jaar met goudpoeder werd bestoven en dan in het meer dook.
Raleigh 'bevrijdde' de indianen op Trinidad van de Spanjaarden, voer de Orinoco op en legde contacten met indiaanse opperhoofden. Hij was van plan om een jaar later terug te keren en Guyana tot bevriende natie te maken voor het welzijn van Engeland, en vanuit dit gebied de Spanjaarden uit Zuid-Amerika te verdrijven.

 


Sir Walter Raleigh was van protestantse afkomst en ontwikkelde al jong een afkeer van het katholicisme.

 

In 1596 stuurde Raleigh zijn trouwe metgezel Keymis naar Guyana terug. Verschillende persoonlijke en politieke ontwikkelingen, Raleigh werd zelf dertien jaar vastgezet in de Londonse Tower voor een vermeende Spaansgezinde samenzwering, maakten dat hij zijn belofte aan de indiaanse opperhoofden niet kon nakomen.
Pas in 1616 raakte Jacobus I geïnteresseerd in het belang van een expeditie naar Guyana. De koning stelde onmogelijke voorwaarden die betrekking hadden op het handhaven van de vrede met Spanje. Desondanks nam Sir Walter Raleigh de opdracht aan en zeilde met de Destiny via de Kaapverdische Eilanden naar de Golf van Paria bij Trinidad. Omdat hijzelf ziek was stuurde Raleigh zijn vriend Keymis en zijn zoon de Orinoco op, om te zoeken naar een goudmijn. In weerwil van de afspraken ontstond toch een gevecht in met de Spanjaarden in de vesting San Thomé aan de Orinoco. De Engelsen veroverden de vesting en Keymis zocht overal vergeefs naar goud.
Hoewel Raleigh wist dat hem nu, wegens schending van de afspraken, de doodstraf boven het hoofd hing, zeilde hij toch terug naar huis. Een schijnproces volgde en hij werd in 1618 in London onthoofd. Keymis had zich kort daarvoor zelf van het leven beroofd.

 


Raleigh leeft in Suriname nog altijd voort doordat zijn naam is gegeven aan de watervallen, die hij tijdens zijn expedities heeft ontdekt.

 

Ondanks het feit dat El Dorado niet kon worden opgespoord bracht de komst van de onfortuinlijke goudzoekers toch een economische impuls aan het gebied. Vooral langs de mondingen van de rivieren werden nederzettingen gesticht. In 1613 zijn het de Hollandse handelaren Nicolaas Baliestel en Dirck Claasz van Sanen die de handelspost 'Parmirbo' met bijbehorend fort oprichten aan de rivier die toen nog de 'Surrenant' werd genoemd.

In Suriname waren al nederzettingen gesticht door vooral Zeeuwse kooplieden. Aangezien echter de slavenhandel meer opleverde dan de suikerteelt, werden de nederzettingen op de meest goedkope manier tot ontwikkeling gebracht.
Nabij de Indianennederzetting Parmirbo, het latere Paramaribo, bouwden de Hollanders aan de linkeroever van de Surinamerivier een fort om de handelsvestiging te verdedigen.

Als snel ontstonden echter spanningen tussen de oorspronkelijke bewoners en de kolonisten die met harde hand werden onderdrukt. De Surinen werden uit hun woongebied verdreven en als slaven te werk gesteld op de nieuwe plantages. De inheemsen bleken slecht bestand tegen de slavernij en stierven massaal. Het experiment met Indiaanse slaven moest dan ook worden beëindigd. Nog meer indianen sterven aan de besmettelijke ziekten die de kolonisten meebrachten. De Surinen streven dan ook bijna helemaal uit maar de laatste blijven zich verzetten tegen de koloniale overheersers door verafgelegen plantages aan te vallen.