Contractarbeiders

In 1799, Nederland viel onder Franse invloed, werd het bestuur over Suriname opnieuw overgenomen aan de Britten. Deze voerden al snel vele hervormingen door waaronder een verbeterde behandeling van de nog aanwezige slaven. Met onmiddellijke ingang werd de handel in slaven verboden. Na 1814 werd door de Britten zelfs een gemengd Engels-Nederlands gerechtshof afgedwongen met als taak het bestraffen van de handel in slaven.
Intussen groeide er in Europa verzet tegen de slavernij. In 1833 werd voor de Engelse koloniën de slavernij afgeschaft en in het revolutiejaar 1848 schafte ook Frankrijk de slavernij af. Beide landen hadden koloniën die grensden aan Suriname waardoor opnieuw onrust ontstond onder de planters en hun slaven van wie velen nu konden vluchten.

Pas na 10 jaar vergaderen en plannen maken werd ook door Nederland op 1 juli 1863 de slavernij afgeschaft. Nederland is daarmee een van de laatste landen die deze stap zette. De uiteindelijke doorslag gaf de financiële compensatie, uit de Indische baten, aan de plantage-eigenaren. Ethische overwegingen bleven op de achtergrond.

 


1 juli 1863 wordt in Suriname KETI KOTI genoemd oftewel "Dag van de Verbroken Ketens".
Jaarlijks wordt zowel in Suriname als in Nederland de ontketening van de Surinaamse slaven nog herdacht.

 

De slaven waren nu weliswaar op papier vrij, maar ze werden verplicht om onder staatstoezicht nog tien jaar op contractbasis arbeid te richten voor hun voormalige eigenaren. Veel negers lapten die regel aan hun laars en vestigden zich als vrij man of vrouw.
De plantages blijven echter veel arbeidskrachten nodig hebben. Het koloniale bestuur start met de werving van contractarbeiders in India. Deze arbeiders en hun afstammelingen worden Hindoestanen genoemd. De Engelse koloniale bestuurders in India werken het werven van contractarbeiders echter steeds meer tegen en verbieden het in 1916 helemaal. Planters laten vanaf 1890 ook uit Oost-Indië arbeiders overkomen. Die zijn van Chinese of Javaanse afkomst.
Met de vondst van goud en bauxiet, de grondstof voor de aluminiumproductie, leeft in de jaren dertig van de twintigste eeuw de economie van Suriname sterk op. Het is een Amerikaans bedrijf, Alcoa, dat in 1922 het bauxiet gaat winnen. Ook het Nederlands bedrijf Billiton opent bauxietmijnen. Deze grondstof wordt het voornaamste exportartikel van Suriname en vormt daarmee een belangrijke bron van inkomsten voor Nederland. Maar ook met het kappen van tropisch hardhout worden grote winsten behaald.